Tijdens het notaoverleg China op 30 september jl. (Kamerstuk 35 207, nr.
29) is gebleken dat er in uw Kamer grote zorgen bestaan over de
mensenrechten in China. Deze brief beschrijft de mensenrechtensituatie in
China in meer detail. Uit deze analyse komt duidelijk naar voren dat het
kabinet de zorgen van uw Kamer deelt. Kamerleden en -fracties hebben
tevens verschillende voorstellen gedaan om mensenrechtenschendingen
in China tegen te gaan, onder andere in de diverse partijpublicaties over
China die in aanloop naar het debat zijn verschenen en die het kabinet
met belangstelling heeft bestudeerd en waarop wij verderop in deze brief
terugkomen. Deze brief geeft inzage in de middelen die het kabinet inzet
om de zorgen met betrekking tot mensenrechten in China te adresseren
en gaat specifiek in op de voorstellen en moties uit uw Kamer. Tot slot
schetst de brief de uitdagingen waar Nederland en de EU voor staan met
daarbij verwijzingen naar de strategische keuzes die het kabinet maakt in
de notitie «Nederland-China: een nieuwe balans.»1
I. De mensenrechtensituatie in China
Door de gestage groei van het BNP per capita zijn de economische
mogelijkheden van een groot aantal Chinese burgers weliswaar toegenomen, maar de burgerlijke en politieke vrijheden staan steeds zwaarder
onder druk. Hieronder volgt een kabinetsappreciatie van de mensenrechtensituatie in China waarin de voornaamste punten van zorg worden
benoemd.
Vrijheid van religie en levensovertuiging en de positie van christenen
In China bepaalt de overheid welke vormen van religie zijn toegestaan en
welke niet. De Chinese overheid erkent vijf godsdiensten (protestantisme,
katholicisme, boeddhisme, taoïsme en de islam) die elk onder toezicht
staan van een door de overheid gecontroleerde Patriotic Religious
Association. Deze beperkingen laten geen ruimte voor andere stromingen
of mogelijke nieuwe afsplitsingen. De vrijheid van religie en levensovertuiging is in de afgelopen jaren verder afgenomen, waarbij er vanuit de
overheid sterk wordt ingezet op de «sinificatie» van religie in China.
Wetgeving verplicht geregistreerde religieuze instellingen onder andere
om «kernwaarden van het socialisme te implementeren» en «sturing,
toezicht en controles van relevante organen van lokale overheden» te
accepteren, waarbij overtreding in ernstige gevallen bestraft kan worden
met het intrekken van de registratie. Er is sprake van een toegenomen
aantal vervolgingen wat samenhangt met aangescherpte Chinese
wetgeving omtrent religieuze zaken. Deze aanpak dwingt verschillende
religieuze bewegingen, zoals christelijke kerken, om ondergronds te gaan.
De wetgeving verbiedt religieuze activiteiten van ongeregistreerde
religieuze instellingen en de overheid dwong een groot aantal ondergrondse christelijke kerken tot sluiting en sloopte een groot aantal
gebedsgebouwen. Ook zijn de afgelopen jaren de kruizen van honderden
kerken verwijderd.
Xinjiang
Het kabinet maakt zich ernstige zorgen over de mensenrechtensituatie in
zowel Xinjiang als Tibet. Sinds 2018 worden Oeigoeren en andere
moslimminderheden op grote schaal zonder strafrechtelijk proces
vastgezet in «her-educatiekampen». Schattingen door onafhankelijke
onderzoekers van het aantal mensen dat vastzit (of heeft gezeten) lopen
uiteen van enkele honderdduizenden tot 1,5 miljoen. Dit staat gelijk aan 5
tot 10% van de volwassen bevolking van Xinjiang. Volgens
1
Bijlage bij Kamerstuk 35 207, nr. 1
Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 207, nr. 32
2